Loading...
Inspiratie 2018-03-12T13:43:53+00:00

Inspiratie

Atriumlezing Beatrice de Graaf blijft in religieus-correcte reflex hangen

[ Eerder gepubliceerd op ThePostOnline, 06-02-2018 ] Op donderdagmiddag 25 januari 2018 vond bij de VNG in Den Haag de Atriumlezing ‘Gemeenten aan zet tegen radicalisering’ plaats. Op het programma stonden prof. dr. Beatrice de Graaf, terrorisme-expert en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, en Bert Bouwmeester, burgemeester van Coevorden. Zij spraken over het aanpakken van radicalisering en polarisatie onder de modererende leiding van Job Cohen. Verlangen naar verlossing Bij de aanpak van radicalisering bepleit De Graaf het ‘voorkomen van religieuze kramp’. Problematisch is dat zij zelf wel blijft hangen in een krampachtige, ‘religieus-correcte’ reflex. De Graaf stelt dat bij radicaal terrorisme het verlangen naar verlossing een belangrijke rol speelt. Dit verlangen is religieus van aard, en vooral (criminele) jongeren zijn hiervoor gevoelig. Als elementen van de ‘crime-terror-nexus’, daar waar criminaliteit en terrorisme samenvloeien, schetst De Graaf het beeld van een ‘loser’, vaak een jongere met een strafblad, die radicaliseert uit een verlangen naar verlossing via een ‘ideale shortcut’, namelijk het gebruik van geweld om zich wreken en zo roem en een eeuwig leven in een hemels hiernamaals te verwerven. Terrorisme uitwas van religie In het benoemen van de verschillende vormen van wat De Graaf de ‘praxis van radicale verlossing’ noemt, plaatst zij Anders Breivik in de categorie ‘heilig vuur voor gerechtigheid’. Onder de noemer ‘rituele slachting van de (sic) slachtoffer’ worden de geruchtmakende liquidaties in de jaren ’70 op Hanns Martin Schleyer en Aldo Moro, door respectievelijk de Duitse Rote Armee Fraktion en Italiaanse Brigate Rosse, in dezelfde categorie ondergebracht met de moord op pastoor Hamel en de afgesneden varkenskoppen die bij azc’s worden neergelegd. Volgens De Graaf is het te gemakkelijk te denken dat terrorisme een uitwas van religie is. Zij keert het dan ook om: álle terrorisme is religieus van aard. En daarin gaat zij heel ver. Haar voorbeelden [...]

Over de blinde vlek voor ‘religie’, en waarom dit een steeds groter probleem vormt

Nederlandse bestuurders hebben ‘een blinde vlek voor religie’, betoogt Gert Jan Geling, naar aanleiding van het integriteitsschandaal in de gemeente Amsterdam waar Saadia A.T. – programmacoördinator op het dossier radicalisering – wordt verdacht fraude en vriendjespolitiek. “Religie, dat is iets wat een privézaak is, zo denken we. En dat kan voor ons zo zijn, maar dat geldt niet voor grote groepen in de samenleving, voor wie religie een belangrijke rol speelt in het dagelijks leven, en religieuze ideeën ook het samenleven met anderen direct beïnvloeden. Voor deze groep burgers is religie cruciaal, en kunnen religieuze ideologieën grote invloed hebben op het denken en handelen. Zolang wij religie niet begrijpen, zullen we ook niet in staat zijn hen te begrijpen.” Sinds 9/11 proberen gemeenten het probleem van islamitisch radicalisme te beheersen door adviseurs en ambtenaren te zoeken in islamitische gemeenschappen. Angst voor islamitisch-geinspireerd geweld bezweren door moslim-netwerken te creëren, zo lijkt de heersende gedachte. Het ‘Amsterdamse radicaliseringsschandaal’ laat zien dat dit een heilloze weg is. "Om hier verandering in te brengen zal er allereerst meer kennis over religie moeten komen", aldus Geling. Sprenger & Kramer sluit zich hier hartgrondig bij aan.

Neutrale, onafhankelijke kennispartners met ‘religie’ als expertiseveld zijn onmisbaar – óók bij radicaliseringsproblematiek

Volgens schrijver en eerwraakdeskundige Celal Altuntas helpen grote Turkse en Marokkaanse organisaties de overheid niet bij het probleem van radicalisering. “De overheid leunt te sterk op grote, overkoepelende organisaties, die geacht worden minderheden te vertegenwoordigen. Bij de Turken is dat Inspraakorgaan voor Turken (IOT) en bij de Marokkanen Stichting Marokkanen in Nederland (SMN). Het probleem is dat die organisaties op een te hoog bestuurlijk niveau actief zijn en de zo belangrijke fijnmazige informatie missen, die twintig jaar geleden wel aanwezig was bij kleine zelforganisaties.” Bij Sprenger & Kramer denken wij dat de grootte van koepelorganisaties op religieuze of culturele grondslag niet het probleem is, wel het gegeven dat de overheid klakkeloos lijkt te vertrouwen op input door middel van vertegenwoordiging vanuit religieuze minderheidsgroeperingen. Natuurlijk is het belangrijk voor de overheid om contacten te onderhouden met brede lagen van de bevolking – ook via vertegenwoordigende koepelorganisaties. Maar, zoals de directeur van de snoepjesfabriek een andere kijk heeft op de gezondheidseffecten van suiker dan de tandarts, zo denken wij dat als het gaat om radicalisering van moslimjongeren neutrale, onafhankelijke kennispartners met ‘religie’ als expertiseveld onmisbaar zijn. In ieder geval in het aanbieden van een ander, breder perspectief: bijvoorbeeld het gegeven dat radicalisering een belangrijke geloofscomponent bevat die niet onbesproken kan blijven. En, zoals Altuntas ook opmerkt, dat de diversiteit onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders groter is dan je onder één koepel kunt vangen.

Waarom jongerenwerkers niets hebben aan een ‘radicaliseringschecklist’ – en aan wat dan wél?

Jongerenwerkers hebben een taak gekregen in het signaleren en bestrijden van terrorisme. Enerzijds zijn zij hiervoor niet opgeleid, anderzijds hebben zij geen heldere richtlijnen of framework bij de uitvoering van deze taak. Het gevolg: gefrusteerde en onzekere jongerenwerkers die zich een spanningsveld bevinden tussen de lastige praktijk van het sociale domein en de drukkende maatschappelijke behoefte aan veiligheid en maatregelen op het gebied van contra-terrorisme. Natuurlijk zijn religiewetenschappers onmisbaar bij het formuleren van de kaders en richtlijnen waarbinnen (gewelddadig) religieus radicalisme zich beweegt. Maar de vraag is of jongerenwerkers geholpen zouden zijn met een ‘radicaliseringschecklist’. Want hoe bepaal je een ‘heldere norm’ voor het tegengaan van extremisme? Wie meent deze complexe problematiek te kunnen beheersen of besturen met een framework of een ‘methodologisch kader’, komt van een koude kermis thuis. Waarom? Omdat mensen die radicaliseren als gevolg van hun geloofsbeginselen – of islamitisch of anderszins – niet in vaste hokjes passen. De signalen van radicalisering zijn veelsoortig, en niet allemaal alarmerend. Belangrijker is dat jongerenwerkers, evenals andere professionals in het sociale domein, méér weten van ‘religie’ in een breder perspectief. Dat zij begrijpen hoe religieuze overtuigingen zich verhouden tot denken en gedrag. Dat zij leren onderscheiden welke vormen van ‘radicaal geloven’ er zijn. Dat zij kunnen inschatten wanneer sprake is van zorgwekkende signalen – maar ook wanneer niet. En nog belangrijker: dat zij een gesprek over ‘geloof’ kunnen voeren – zonder het gevoel zich op glad ijs te begeven. Als samenleving zijn we verleerd om het gedrag van mensen te begrijpen en te waarderen op basis van hun geloofsachtergrond. We dachten dat ‘geloof’ een ding van het verleden was. Dat is een misvatting gebleken. Hoogste tijd om ‘religie’ weer serieus te nemen.